The life of John Calvin, Caspar Olevianus Wie was Johannes Calvijn?
Logo Reformatorisch Dagblad

Sporen uit de tijd van de Reformatie (IV)

“Vermogen wy oock yet, sulcks
alles komt van U goetheyt...”


Door G. Roos
(23-10-1979)

Frankenthal
“Godts kerck vervolgt verdreven heft Godt hyr trost gegeven.” Dat is nog altijd te lezen op de steen die de overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog verwoeste grote kerk van Emden siert. Maar het zijn niet alleen maar Emden en Schönau - waar we al op bezoek zijn geweest - die de ontheemden om het geloof toevlucht boden. Zo’n plaats is ook Frankenthal.

Frankenthal heeft in feite het ontstaan aan vluchtelingen te danken. Het zou in deze tijd van moeilijkheden in Zuidoost-Azië misschien als model kunnen dienen. In Frankenthal kwamen ze immers ook per schip aan!

Op 13 juni 1562 kregen 58 gezinshoofden door ondertekening van een overeenkomst met de keurvorst Frederik de Vrome, toestemming om het ten zuiden van Worms liggende klooster Groot-Frankenthal te betrekken. De overgebleven monniken vertrokken naar het verlaten vrouwenklooster Klein-Frankenthal.
In de aankomst van vluchtelingen uit de Nederlanden ligt het ontstaan van de nu ongeveer 45.000 inwoners tellende plaats, die in 1577 stadsrechten kreeg. Het bleef immers niet bij de eerste groep vluchtelingen. En ook als Frederik de Vrome sterft nemen verdreven calvinisten de toevlucht tot het voormalige klooster.

Klooster
De bereidwillige gast van een vriendelijke boekverkoper brengt ons naar de overblijfselen van het oude klooster. Het zijn niet meer dan overblijfselen. De dertigjarige oorlog ging over Frankenthal. De Fransen joegen in 1689 de brand erin. Maar toen was de spil waaromheen alles aanvankelijk draaide - dus bij de vestiging - Petrus Datheen, al lang berooid als een verre balling gestorven.
We staan bij de imposante poort. Een indrukwekkende reeks jaartallen in een metalen plaat vertellen de historie. In 1119 werd het klooster door “Erkenbert aus Worms gegründet.” En in 1562: “Aufhebung des Stiftes durch Kurfürst Friedrich III von der Pfalz. Ansiedlung von Glaubensflüchtlingen aus der Niederlanden in den freigewordenen Gebäuden.” Eerst in 1562 opheffing van het klooster, dan vestiging van vluchtelingen om het geloof in de beschikbaar gekomen gebouwen.

Ongedaan gemaakt
Voor de oude poort staat nu een Rooms-katholieke kerk. Het lijkt zo mooi, een doopvont te vinden die ons vertelt, dat niemand die niet wedergeboren is uit water en Geest het rijk Gods kan ingaan. Maar wie weet dat in de Roomse kerk geleerd wordt dat de erfzonde door het doopsel vergeven wordt hecht er weinig waarde aan: veel van wat de ballingen hier in 1562 gebracht hebben is ongedaan gemaakt.
Wie zal ons meer kunnen vertellen over het verleden hier? we dwalen langs wat huizen en winkels. Een binnendeur in het tenslotte betreden museum houdt ons tegen: gasten zijn in deze uren niet welkom. Maar we laten ons niet tegenhouden. De enige weg die openstaat is die via het trappenhuis. Trappen, lange gangen, we zoeken net zo lang tot we een tikmachine horen ratelen.
Het museum gaat voor ons open. De oude poort waarbij we straks stonden blijkt niet de kloosterpoort te zijn, maar de ingang van de oude kerk, waarvan alleen nog muurstukken - aan de bovenzijde keurig afgebouwd - overeind staan. Er is in Frankenthal een Dathenushaus. De gemeenteraad komt er bijeen. Het is een modern gebouw. Er worden voordrachten en lezingen gehouden. In 1943 is veel verwoest.

Overeenkomst
In het museum is nog steeds aanwezig de oude overeenkomst die door een vertegenwoordiger van de keurvorst met de Nederlanders gesloten is in 1562. Petrus Datheen heeft er als eerste eigenhandig zijn naam onder geschreven.
De toelichting zegt: Ihres Anführers und Predigers Peter Datheen.
We vinden een oude kerkenordening in onze eigen taal uit 1557, allerlei afbeeldingen van keurvorsten, van Johann Casimirs hulpexpeditie in 1576 ten dienste van de Hugenoten. Een oud exemplaar van Datheens Psalmen, in 1643 in Amsterdam gedrukt trekt onze aandacht. Er is uiteindelijk nog twintig jaar Nederlands gesproken in Frankenthal. En, zo vertelt onze vriendelijke gids: het Nederlands leefde nog meer dan een eeuw voort onder de bevolking.
Er is veel meer te zien - de “Ceur-Pfalzische Catechismus”, in 1687 gedrukt in Groningen in het “Jat in de graeuwe kater” - maar ook museumbezoek tijdens sluitingstijd heeft grenzen.

Onderzoek
Er blijkt trouwens goed gedetailleerd onderzoek te zijn gedaan. In het boek “Die Geschichte der Stadt Frankenthal und ihrer Vororte”, in 1970 heruitgegeven, wordt het ontstaan van “Die Gemeinde reformierter Glaubensflüchtlinge” uitvoerig beschreven. Het boek vormt een rijke bron van informatie.
Het staat wel vast dat op 3 juni 1562 de 58 gezinnen in twee schepen gekomen zijn. Omdat de laatste monniken het klooster nog niet ontruimd hadden moesten de vluchtelingen de eerste nacht in de open lucht doorbrengen. Tien dagen later, op 13 juni, werd de overeenkomst gesloten waarin in 16 hoofdstukken de rechten en plichten van de immigranten waren vastgelegd. Een nader verdrag volgde in 1573.
Moeten we schrijven over de huur die de Nederlanders betaalden voor 600 morgen land? Over de raadsverslagen die tot in 1582 in het Nederlands geschreven zijn? Het “Statutenbuch” wordt nog steeds in het Frankenthaler stadsarchief bewaard.

Predikers
Frankenthal heeft voor de Nederlanden veel betekend. Zongen op een ogenblik de Gereformeerden Datheens lied niet? Zijn Psalmberijming moet hier ontstaan zijn. Datheen vertaalde de Heidelberger Catechismus reeds in 1563 in het Nederlands en zorgde voor formulieren.
Hier heeft het geklonken: “Godt is mijn licht `t welck my leydt in Sijn wegen; en mijn heul voor wien sal ick zijn bevreest? Hy is mijne levens kracht, tot my genegen: door wien sal ick schricken in dit tempeest?” Het was onversaagde geloofsmoed van hen die het op een andere keer mochten zingen: “Soo wy sterck zijn, daervan hebt Gy alleen de eer; vermogen wy oock yet, sulcks alles komt o Heer van U goetheyt die ons’ beschermingh is bevonden...”

Al spoedig na Datheens aankomst in 1562 beriep de gemeente Gaspar van der Heyden. In ons vorig artikel wezen we op zijn grote betekenis. Als opvolger van Datheen diende vanaf 1571 de toen 24-jarige Arent Cornelisz, geboortig van Delft, Frankenthal. Na enkele jaren nam hij een beroep aan naar zijn geboorteplaats. Hij was scriba van de synodes van 1574 en 1578 van Dordt, praeses in Middelburg 1581 en assessor in den Haag 1586, geen onbelangrijk figuur dus. Ook moet hij praeses geweest zijn van de synode van Bedburg in 1571, de voorbereiding op Emden.

Datheen
We gaan hier niet Datheens hele levensgeschiedenis verhalen, hoewel hij onder ons te weinig bekend is. Tot 1561 is hij predikant van de vluchtelingengemeente in Frankfort. Door de Luthersen verdreven komt hij in 1562 in Frankenthal aan. In 1566 treedt hij in dienst van de keurvorst Frederik de Vrome. Hij maakt tal van reizen om meer eenheid te brengen in calvinistisch Europa. Zeker, hij keert weer ettelijke malen terug naar Frankenthal. Hij disputeert er in 1570 op hoog niveau - maar zonder veel resultaat - met de wederdopers.
Als in 1576 Frederik de Vrome sterft krijgt Datheen in 1577 de benoeming als hofprediker van zijn zoon Johann Casimir. Vanaf 1578 groeit steeds meer de tegenstelling tussen Datheen en Willem van Oranje: Oranje die langs politieke weg tot godsdienstvrede tracht te komen; Datheen die geen genoegen wil nemen met het compromis en in zijn onverzettelijkheid uiteindelijk ook nog onder invloed van verraderlijke elementen of dwaalgeesten komt: Hembyse in Gent en de Davidjoristen in Husum.
Eenzaam, hoewel in eer hersteld, sterft hij in 1588 in de Pruisische stad Elbing. Niemand kan zeggen waar zij graf ligt. “Doch sullen de vromen verblijt, Heer, Uwen naem singen en altijt, en haer in U verblijden...”
En wie de geschiedenis van de vluchtelingen nagaat stemt ook in met een andere zang van Datheen: “Gy zijt, o Heer, seer wonderbaer in al de plaetsen daer gy klaer U heerlickheyt toont krachtigh: Israëls toeverlaet gy zijt, en uwes volcks kracht: dies altijt looft men U Heer almachtigh.”


Top | Index
RagSoft