Jan van der Stoep
© 1998 Instituut voor CultuurEthiek
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Informatie en betekenis
3. Communicatie en sociale omgang
4. Virtualiteit en normativiteit
Met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie doen zich tal van nieuwe ontwikkelingen voor: internet, mobiele telefonie en virtual reality. De bezinning op internet en andere nieuwe media wordt doorgaans op twee manieren gevoerd.
In de eerste benaderingswijze dragen de discussies een sterk visionair karakter. Daarbij neemt men vaak een houding aan van alles of niets. Òf virtual reality en cyberspace worden beschreven als het einde van de westerse beschaving, òf ze vormen juist het begin van een nieuwe samenleving waarin alle huidige problemen zijn opgelost. Een dergelijke benadering biedt vaak weinig houvast voor concreet gebruik van nieuwe media. Er worden nauwelijks systematisch normen en criteria gepresenteerd waaraan het gebruik van interactieve media moet voldoen. In de tweede benaderingswijze staat de inhoud van de informatie die wordt overgedragen centraal. Door regelgeving en/of selectie van het informatie-aanbod tracht men zaken als kinderporno en racisme zoveel mogelijk te weren. Hoe belangrijk deze aandacht voor de informatie-inhoud ook is, men dreigt daarmee voorbij te gaan aan het effect van interactieve media op de informatie-overdracht en communicatie zelf. Men mag dan bijvoorbeeld een geschoond internet-abonnement aanbieden, maar wanneer het systeem een goede informatie-overdracht en communicatie in de weg staat, blijft het een slecht systeem, ook al worden bepaalde typen informatie geweerd. In dit rapport wordt bewust gekozen voor een andere invalshoek. Nagegaan wordt welke normen voor informatie-overdracht en communicatie gelden en hoe informatieoverdracht en communicatie door het gebruik van interactieve media worden belemmerd, dan wel ondersteund. Er worden normen en regels opgespoord aan de hand waarvan het gebruik van inter-actieve media kan worden beoordeeld. Op grond hiervan kan informatie van desinformatie en communicatie van miscommunicatie worden onderscheiden.
Media als het schrift, radio, televisie en internet zijn niet slechts dragers van een boodschap, maar maken ook nieuwe vormen van informatieoverdracht mogelijk. Tegelijkertijd hebben ze ook ieder hun eigen beperkingen. Op internet kunnen verschillende documenten door zogenaamde hyperlinks [1] met elkaar worden verbonden, zodat onderlinge verwijzingen tussen teksten mogelijk wordt. Op deze wijze kan men gemakkelijk van het ene naar het andere tekstgedeelte zappen. De keerzijde is echter dat internet een uiterst vluchtig medium is, dat waarschijnlijk nooit de functie van het boek zal kunnen overnemen.
Bij de overdracht van informatie staat de betekenis van de boodschap centraal. Een boodschap bevat geen neutrale, waardevrije informatie waaraan de lezer willekeurig betekenis kan geven, maar heeft een eigen betekenis en zeggingskracht die men zo goed mogelijk moet proberen te achterhalen. Daarbij oefent de boodschap ook een appel uit op het eigen leven. Internet moet daarom niet worden gezien als een wereldwijde vergaarbak van allerhande informatie, waaraan de gebruiker al surfend betekenis en samenhang toekent, maar als een netwerk van onderling naar elkaar verwijzende teksten, die ieder hun eigen betekenis hebben.
Om de boodschap goed te kunnen interpreteren, is van belang dat men de context en auteur van de boodschap kent. Bij het aanbieden van een bruikbaar interpretatiekader spelen hyperlinks een belangrijke rol. Hyperlinks kunnen zowel een informatief als een evaluatief karakter hebben. Ze kunnen informatie bevatten over de auteur, over een bepaald onderwerp dat aan de orde komt of over de gelegenheid waarbij een bepaalde tekst geschreven is. Met behulp van hyperlinks kan men echter ook mede bepalen hoe andere teksten gelezen worden. Daarbij kiest men positie in een maatschappelijk debat waarin waarachtig en liefdevol spreken worden afgewisseld met leugenachtigheid en stemmingmakerij. Hyperlinks kunnen echter ook op een oneigenlijke wijze worden gebruikt, bijvoorbeeld om zoveel mogelijk bezoekers te trekken. Niet de betekenis en draagwijdte van de boodschap, maar het krijgen van zo hoog mogelijke bezoekersaantallen komt dan centraal te staan.
Om de betekenis van de boodschap zo goed mogelijk uit de verf te laten komen moet aan verschillende conditionerende of ondersteunende regels worden voldaan. De betreffende boodschap moet een logische opbouw hebben. Het sociale verband waarin de boodschap wordt overgedragen moet duidelijk zijn. Het aanbieden van informatie moet op economisch verantwoorde wijze plaatsvinden. De stijl waarin de boodschap wordt gebracht moet aantrekkelijk zijn. Er moet recht worden gedaan aan medeauteurs en personen die onderwerp van gesprek zijn. Ook dient men zijn woorden zoveel mogelijk met zorg en liefde te kiezen en moet de wijze waarop men een boodschap doorgeeft in overeenstemming zijn met de eigen levensovertuiging. Van belang is dat het respecteren van deze regels de overdracht van de boodschap zelf ten dienste staat. Economische, esthetische of juridische regels mogen geen eigen leven gaan leiden, waardoor zij vorm en inhoud van de boodschap eenzijdig gaan bepalen.
3. Communicatie en sociale omgang
Door internet en mobiele telefonie worden nieuwe vormen van communicatie mogelijk in vergelijking met de brief, telecommunicatie en massacommunicatie. Door E-mail en mobiele telefonie zijn personen direct bereikbaar, ongeacht de plaats waar ze zich op een bepaald moment bevinden. Door telewerken, televergaderen, teleleren en telewinkelen ontstaat bovendien een nieuwe electronische infrastructuur waardoor onderscheidingen als privé en publiek, openbaar en besloten opnieuw moeten worden doordacht. Tevens doen zich nieuwe vraagstukken voor met betrekking tot privacy.
Bij communicatie staat omgang en verkeer tussen mensen centraal. Daarvoor is niet alleen belangrijk dat mensen onderling bereikbaar zijn, maar moeten ook bepaalde omgangsvormen worden gerespecteerd. Om de omgang tussen mensen in verschillende levenssferen tot ontplooiing te laten komen, is een zekere sociale ordening vereist. De verschillende samenlevingsverbanden moeten voldoende van elkaar worden afgeschermd, zonder dat ze volledig van elkaar worden geïsoleerd. Directe bereikbaarheid van alles en iedereen zou het sociale leven in de verschillende verbanden teveel frustreren. Daarom moet de bereikbaarheid op één of andere wijze worden gereguleerd. Dit kan zowel met behulp van electronische apparatuur (voicemail, wachtwoordcontroles, digitale filters, decoders) als door aanpassing van de omgangsmoraal. Het gevaar bestaat echter dat met de nieuwe vormen van communicatie de actieradius van de werksfeer verder wordt uitgebreid ten koste van de huiselijke sfeer.
In virtuele organisaties en gemeenschappen lijkt de omgang tussen mensen in hoge mate geconstrueerd te worden. Toch blijkt de omgang ook in deze gevallen aan bepaalde sociale normen te moeten voldoen. Zelfs in de meest anarchistische discussiegroepen op internet komen allerlei sociale regels en omgangsvormen tot ontwikkeling. Niet alleen ontwikkelt men bepaalde gedragscodes (nettiquette), ook ontstaan tal van regulerings- en uitsluitingsprocedures. Deze regels en structuren zijn nodig om de groep vitaal te houden. Overigens gaat het daarbij vaak om een minimale moraal, om normen en regels die minimaal nodig zijn om het verkeer tussen mensen mogelijk te maken. Ook wordt in virtuele organisaties en gemeenschappen het vormgeven van de eigen identiteit steeds belangrijk. Tot op zekere hoogte is het stileren van de eigen identiteit legitiem. De presentatie moet echter wel waarachtig zijn en mag de sociale omgang niet verstoren.
Om de omgang tussen mensen goed gestalte te geven, dient evenals bij informatie-uitwisseling aan een aantal conditionerende of ondersteunende regels te worden voldaan. De verhouding tussen de gesprekspartners moet helder en doorzichtig zijn. De taal die gebruikt wordt moet door de betreffende gesprekspartners kunnen worden verstaan. Het gebruik van communicatiemiddelen moet aan economische criteria voldoen. De omgang moet met een bepaalde elegantie en hoffelijkheid gepaard gaan. De toegang tot de communicatiemedia moet rechtvaardig verdeeld zijn. Men moet elkaar als gesprekspartners wederzijds kunnen vertrouwen en de wijze waarop men met elkaar omgaat moet in overeenstemming zijn met de eigen levensovertuiging. De verschillende economische, juridische en ethische normen behoren de communicatie te ondersteunen. Zij mogen geen doel op zich worden, maar moeten dienstbaar zijn aan de onderlinge ontmoeting.
4. Virtualiteit en normativiteit
Door zakcomputer, mobiele telefoon en chipkaart wordt de mens steeds meer tot een cyborg, tot een aan apparaten verbonden wezen. Op zich hoeft dat niet bezwaarlijk te zijn. De techniek kan de mens dienstbaar zijn en zakcomputer en mobiele telefoon kunnen net zo vertrouwd worden als horloge en bril. Vanwege de technicistische grondhouding die onze cultuur aandrijft, bestaat echter het gevaar dat het menselijk leven en samenleven steeds meer door de techniek beheerst wordt, dat de nieuwe electronische middelen aangewend worden om mensen te controleren en te manipuleren.
Van belang is te onderkennen dat het beeld van de mens als cyborg maar één van de vele bestaanswijzen van de mens schetst. De mens is niet alleen een technisch wezen, hij is ook een betekenis gevend wezen (talig), een wezen in ontmoeting met anderen (sociaal), een beheerder van goederen (economisch), een artistiek wezen (esthetisch), een zich rechtvaardigend wezen (juridisch), een zedelijk wezen (ethisch) en bovenal ook een gelovend wezen (pistisch). Het recht doen aan deze veelkleurigheid van het mens-zijn, moet richting-gevend zijn voor ontwikkeling en gebruik van nieuwe informatie- en communicatiemedia.
Met behulp van informatietechnologie kunnen bepaalde normen en gedragscodes in apparaten worden geobjectiveerd. Voorbeelden daarvan zijn de V-chip of violence-chip en internetblockers als Cyberpatrol en Surfwatch. Met behulp van deze middelen kan geweld, pornografie en racisme worden geweerd. Hierdoor wordt het mogelijk om een relatief veilige leeromgeving op internet te creëren. Deze middelen kunnen de opvoeding echter niet vervangen. Opvoeding en onderwijs zullen er juist op gericht moeten zijn om de jongeren op te voeden tot zelf-standige en moreel handelende personen. Daartoe behoort ook dat zij zelfstandig goede van slechte informatie leren te onderscheiden. Internetblockers zijn niet 'pedagogischer' of 'moreler' dan de gebruikers, maar kunnen wel, mits op de juiste wijze ingezet, moraal-ondersteunend werken.
Het onderscheid tussen reëel en virtueel, werkelijkheid en schijn is niet adequaat om het gebruik van virtual reality technieken te veroordelen dan wel goed te keuren. Een belangrijk criterium is of de virtuele werkelijkheid die in een computersimulatie of een VR-spel wordt opgeroepen ook een verrijking of verdieping inhoudt van onze dagelijkse ervaring. Virtual reality mag geen vlucht betekenen uit de weerbarstigheid van het dagelijks bestaan. Het mag ook niet tot middel worden om mensen te manipuleren. Bij het vormen van een oordeel over virtual reality dient primair gelet te worden op de wijze waarop naar de werkelijkheid buiten het ontwerp wordt verwezen. Daarbij speelt ook het realiteitsgehalte van de simulatie een belangrijke rol. Hoe realistischer de simulatie, hoe meer het aankomt op de wijze van representatie. Op grond van deze criteria moet een belangrijk deel van de VR-spellen worden afgewezen.