Identiteit onder invloed. School blijven met ICT & media.

Samenvatting

ICT en media veranderen ontegenzeglijk het onderwijs. Tegelijkertijd is merkbaar hoe pedagogische en didactische inzichten verschuiven. Deze onderwijsveranderingen staan in de context van de veranderlijke westerse samenleving als geheel: aan deze moderne samenleving is het eerste rapporthoofdstuk gewijd. Hoofdstuk 2 gaat daarna in op de achtergronden van de onderwijsveranderingen. Tenslotte dan de vraag: wat betekenen deze veranderingen voor de identiteit van de school als geheel (hoofdstuk 3) en voor de identiteitsvorming van de leerlingen (hoofdstuk 4)? Daarbij redeneert het rapport niet vanuit de onderwijskundige of technische veranderingen, maar vanuit het onderwijs: hoe blijft een school school?

De dynamiek van de westerse samenleving valt te typeren met de trefwoorden veel, vlug en vrij. Temidden van dit gefragmenteerde leven zoekt de westerse mens tegelijk meer diepgang in beleving en relaties, duurzaamheid, en echtheid, authenticiteit. Daarin wordt de spanning voelbaar tussen wat de moderne mens allemaal wil (vrijheid), en wat hij nog kan beheersen zonder beheerst te worden. Deze spanning is te herleiden op het Verlichtingsdenken en de wending naar het subject bij Descartes (‘ik denk dus ik ben'). Het vrije subject wil de geobjectiveerde natuur analyseren en op die manier beheersen, en vervolgens ook de ontwikkeling van de samenleving. Vertechnisering van deze samenleving past daarbij, inmiddels in de vorm van digitalisering: ICT en media zijn beeldbepalend geworden.

Het postmoderne denken bevraagt deze verhouding van subject en object. De maatschappij blijkt niet volledig maakbaar. Toch blijft het ‘ik' veel keuzevrijheid claimen om dan toch in elk geval de eigen levensloop te beheersen (het subject zelf wordt object van beheersing). Tegenover deze hang naar keuzevrijheid kan men stellen dat het 'ik' onherroepelijk ingebed is in de gegeven contexten van schepping (natuur), (heils-)geschiedenis en tradities. Dat sluit aan bij het verlangen naar authenticiteit: daarvoor zijn deze contexten nu eenmaal noodzakelijk. Bij de behoefte aan diepgang in beleving en relaties past het stimuleren van werkelijke aandacht voor wat zich voordoet, en het aansturen op meer duurzame binding aan gemaakte keuzes. Dit ABC van aandacht, binding en context zijn bedoeld als accenten om de inbedding van het subject in het volle leven te bevorderen.

In het tweede hoofdstuk komen de belangrijkste veranderingsprikkels binnen het onderwijs zelf aan bod: pedagogiek en didactiek staan onder invloed van het sociaal constructivisme en hebben te rekenen met de opkomende media. Elementen uit het sociaal constructivisme zijn reeds te vinden bij denkers als Foucault (de macht die van taalgebruik en communicatie uitgaat), in het pragmatisme zoals dat van Dewey (de houdbaarheid van rivaliserende visies blijkt in de praktijk en binnen een gemeenschap), en in het empirisme van Locke (het belang van ervaring). Parallel met deze denkontwikkelingen is de natuurwetenschap gegroeid: het belang van het experiment (Newton, Locke), de gebleken toepasbaarheid van haar vondsten in de praktijk van alledag (elektriciteit, telefoon, ICT) en de invloed van media en (massa-)communicatie op denken en inrichting van de samenleving.

Beide komen samen in de school: zowel de denkontwikkelingen waarbinnen nu het sociaal constructivisme is opgekomen, als de technologische ontwikkelingen die hebben geleid tot de moderne media. Daarom is het goed juist ook binnen het onderwijs de thema's aan de orde te stellen van taal en disciplinering, het waarderen van verschillende visies, en het belang van ervaring. Vanuit christelijk perspectief kan men aan deze aandachtsgebieden recht doen, zonder ongecorrigeerd door te slaan in een onderwijsvisie waarin elke leerling zijn eigen waarheid – zoveel mogelijk zelfsturend – construeert, door veel onderlinge communicatie en interactie, waarbij ervaringen, al dan niet bemiddeld via ICT en media, dit constructieproces voeden.

Een christelijke onderwijsvisie zal tenminste recht doen aan:

•  het initiatief, de verantwoordelijkheid en het gezag van de inwijdende generatie;
•  de vorming en de opvoedende component daarbinnen die van onderwijs uitgaat;
•  de waarde van de gemeenschap en haar traditie waarbinnen de scholing plaatsvindt.

De laatste twee hoofdstukken draaien tenslotte om de identiteit van de school en de identiteit van de leerling zelf. De identiteit van de school is meer dan de levensbeschouwelijke richting. De richting van een school werkt wel door in de schoolidentiteit, maar de schoolidentiteit omvat ook de onderwijsvisie, die vorm krijgt via beleid, uitvoerenden en schoolcultuur, van missiestatement tot inrichting van het gebouw. Een breed opgevatte identiteit zal gedragen moeten worden door de volle breedte van de school: door bestuur en schoolleiding, docenten en ondersteunend personeel.

Een 'pion'-methodiek wordt aanbevolen om identiteit van de school vorm te geven op alle niveaus binnen de onderwijsorganisatie: notities , van de kant van de schoolleiding of van andere betrokkenen, kunnen worden ingediend rond nieuwe ontwikkelingen of direct over identiteitsaspecten; deze vormen dan de aanzet voor met regelmaat georganiseerde, brede oriënterende discussie: gezamenlijk gesprek waarin identiteitsbepalende factoren boven tafel komen die op het ingebrachte aandachtsgebied een rol spelen. Doel is het stimuleren en borgen van de integratie van identiteitsaspecten en onderwijsvernieuwingen binnen de totale identiteit van de school. Alle betrokkenen krijgen door dit met regelmaat terugkerende proces gevoel voor proporties in het expliciteren waarin bepaalde visies, ideeën, methoden of leermiddelen, gedrags- of inrichtingsaspecten wel of niet sporen binnen de schoolidentiteit.

Voor de identiteitsvorming van de leerlingen ligt de eerste verantwoordelijkheid bij de volwassen generatie. Dat de school vormende invloed heeft, sluit zelfontplooing of ‘identiteitsconstruerende' activiteit van de leerling niet uit, maar in. Vooral van levende voorbeelden gaat vormende invloed uit. Daarnaast heeft het geven van redenen voor gedragskeuzes vormende waarde, en tenslotte het aan gedrag verbinden van disciplinaire consequenties. Ook de gebruikte ICT en media hebben vormende invloed: daarvan kan men gebruik maken, maar omdat de medialisering verbonden is met de subject-georiënteerde moderniteit zal de school ook moeten rekenen met de gerichtheid op beleving, de diversiteit aan aangeboden visies en opgeroepen gevoelens van autonomie, zelfs ten opzichte van welke hogere orde dan ook.

Positief kan een school in een schoolverlatersprofiel daarom aandacht vragen voor prioriteiten als zelfdiscipline, verantwoordelijkheidsbesef, gevoel voor nuance en gerichtheid op het volle leven. De leerling groeit daarbij op in het kielzog van een traditie, en dat in samenspel met leeftijdgenoten en volwassenen. Overdracht en vorming zullen tegelijk aansluiten bij de eigenheid van de leerling. Traditie, samenspel en eigenheid hebben elk hun gewicht in de groei om als volwassene te functioneren in een dynamische, maar verbrokkelde samenleving, en dat – in christelijk perspectief – met een bijzondere verantwoordelijkheid: een volwassen leven dat beantwoordt aan Gods Woord.