Goede zaken snelle tijden

Samenvatting

Maatschappelijk verantwoord ondernemen (in het vervolg afgekort als mvo) mag zich in een toenemende populariteit verheugen. De afgelopen jaren hebben ondernemingen in tal van sectoren van de economie zich in woord en daad bezig gehouden met hun (bredere) maatschappelijke verantwoordelijkheid. Het doel van het eerste hoofdstuk is om een conceptueel-systematische analyse en verheldering te geven van het fenomeen mvo. Hiertoe worden in par. 1.2 een drietal basis-onderscheidingen geïntroduceerd, te weten tussen (1) een smalle en een brede opvatting van mvo, (2) structuur en (levensbeschouwelijk-morele) richting van de onderneming en (3) de intern-economische omgeving, de maatschappelijke omgeving en de natuurlijke omgeving van de onderneming.

Vervolgens worden in par. 1.3 en 1.4 het SER-rapport De winst van waarden (2000) en het VROM-rapport Bedrijfscultuur en duurzaam ondernemen (2001) kritisch geanalyseerd. Het zwaartepunt van het eerste advies ligt bij de structuur van mvo, met name de relatie tussen overheid en bedrijfsleven, de focus van het tweede stuk bij de levensbeschouwelijke motivatie voor mvo. Beide rapporten gaan uit van een brede opvatting van mvo, d.w.z. verbonden met de missie en de kernactiviteiten van de onderneming, impliciet ook met de organisatie van het primair proces (bijv. integraal ketenbeheer). De SER en het VROM schetsen een tamelijk pragmatisch beeld van de relatie tussen mvo en overheid: het gaat om het vinden van gezamenlijke oplossingen voor maatschappelijke problemen. Hierbij is de SER terughoudender t.a.v. de taak van de overheid dan het VROM. In het VROM-rapport wordt de mogelijkheid opengehouden om in te grijpen in de bedrijfscultuur teneinde mvo te bevorderen.

Beide rapporten typeren de onderneming als een samenwerkingsverband van diverse belanghebbenden (stakeholders). In beide gevallen blijken er veel onbeantwoorde vragen op te komen t.a.v. de stakeholderbenadering van de onderneming. Het VROM-rapport biedt een originele interpretatie van de triple-p (people, planet en profit) - de standaard in discussies over mvo - als de overlappende consensus van een viertal invloedrijke levensbeschouwelijke verhalen in onze samenleving, waaronder het christelijk-ecologisch verhaal. Het is hierbij wel de vraag of de overlappende consensus niet beter een vertrekpunt dan een aankomstpunt kan zijn van waaruit verschillen tussen wereldbeschouwelijk geïnspireerde opvattingen over mvo krachtig worden aangezet.

Ten derde wordt in par. 1.5 ingegaan op de relatie tussen mvo en de markteconomie ofwel de economische omgeving van de onderneming. De bespreking van enkele publikaties van Wim Dubbink leidt tot de conclusie dat de gangbare overtuiging in de economische wetenschap van een moreel-neutrale markt niet houdbaar is. MVO veronderstelt de handelingsvrijheid van actoren die zelf verantwoordelijk zijn voor het bereiken van maatschappelijk wenselijke uitkomsten van het economisch voortbrengingsproces. Dit betekent het afscheid van de onzichtbare hand en het rationeel-egoïstisch mensbeeld. Bij Dubbink blijft echter ongewis of de markt als zodanig (d.w.z. van binnenuit) danwel extern (door overheidswetgeving) genormeerd is. Behalve het afscheid van de moreel-neutrale markt, leidt mvo ook tot de noodzaak om winst te legitimeren. Bedrijven kunnen niet, zonder daarvoor publiek verantwoording af te leggen, streven naar winstmaximalisatie. MVO betekent ook dat ze (financieel) bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen.

In de vierde plaats biedt par. 1.6 een kritische beschouwing over de relatie tussen mvo en de netwerksamenleving. Het gaat dan om de maatschappelijke omgeving van de onderneming. Zowel in het SER- als het VROM-rapport blijkt dat mvo gepaard gaat met de vervaging van de institutionele grenzen tussen de onderneming en de staat. De toenemende netwerkvorming (o.a. als gevolg van de mondialisering en informatisering van de economie) roept de vraag op of de onderneming als maatschappelijk verband niet gedoemd is te verdwijnen. Als ingang is gekozen voor een analyse van de theorie van Manuel Castells over de opkomst van de netwerksamenleving. De convergentie van de ontwikkeling van de IT en de herstructurering van de markteconomie in de jaren ‘80 en ‘90 betekende dat de onderneming werd omgevormd van een verticale bureaucratie in horizontaal georganiseerde netwerken. Castells typeert de nieuwe onderneming als de netwerkonderneming. Castells’ instrumentalistische visie op de netwerkonderneming wordt evenwel nergens verbonden met de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de onderneming. Aanknopingspunten voor mvo kunnen o.i. gevonden worden in het zelforganiserend karakter van netwerkondernemingen en de toegenomen zelfstandigheid en vrijheid van medewerkers in de kenniseconomie.

Als opmaat voor de analyse van de normatieve structuur van de onderneming eindigt het eerste hoofdstuk in par. 1.7 met een aantal argumenten en overwegingen om mvo met de structuur van de onderneming te verbinden. Ze variëren van de noodzaak tot een innerlijke normering van de uiteenlopende belangen van stakeholders en het tekort van een instrumentalistische visie op de onderneming en op mvo tot de behoefte aan een systematische en integrale visie op de eigensoortigheid van de onderneming als maatschappelijk verband. En niet te vergeten de uitdaging om het invloedrijke dualisme van economie (onderneming) en ethiek te overwinnen.

 

In het tweede hoofdstuk staat de vraag centraal welke bijdrage een (reformatorisch-)wijsgerige analyse van de (normatieve) structuur van de IT-onderneming biedt voor de mogelijkheden van mvo in de IT-sector. Ondanks het ontbreken van de IT-sector in het publieke debat over mvo, hebben IT-ondernemingen een strategische positie om mvo te bevorderen. Allereerst bij zichzelf, maar door de aard van de dienstverlening ook bij klant-ondernemingen. Ze grijpen met hun software-applicaties diep in in de organisatie van het primair proces van de klant.

We gaan in par. 2.2 eerst in op de typische kenmerken die een IT-onderneming onderscheidt van het klassiek-industriële bedrijf. Het betreft achtereenvolgens: (1) de geïndividualiseerde, op de eisen van de klant afgestemde producten die een hoogwaardig kennis- en informatiegehalte hebben, maar tegelijk de klant sterk afhankelijk maakt van gekozen IT-systemen en leveranciers; (2) het kennisintensieve karakter van de dienstverlening waarbij met name de creativiteit en competenties van de medewerkers een cruciale factor vormen voor het succes van de onderneming; (3) de netwerk-achtige organisatiestructuur van de IT-onderneming, waarin decentralisering en zelfsturing centraal staan met het oog op de noodzakelijke flexibiliteit in de markt, die tegelijk wezenlijke verantwoordelijkheden kan doen weglekken; (4) de flexibilisering, individualisering en intellectualisering van arbeid en functies waarbij de ambulante aard van het werk maakt dat medewerkers niet langer intensief deel uitmaken van de arbeidsgemeenschap van het eigen bedrijf of afdeling; (5) de wijze van financiering die vooral verloopt via risico-kapitaal en minder via geleend geld van de banken, tegelijk IT-ondernemingen vanwege de hoge ontwikkelkosten van hun software-producten nopend om een hoog marktaandeel te halen.

In de tweede plaats wordt in par. 2.3 een vergelijking gemaakt van twee organisatiemodellen voor de IT-onderneming, te weten het taylorisme en de socio-techniek. De keus voor een specifiek organisatiemodel bepaalt in belangrijke mate de mogelijkheden van een bedrijf om gestalte te geven aan mvo. Hierbij is er vanuit gegaan dat mvo het meest duurzaam tot stand komt indien het structureel opkomt uit de organisatie van het primair proces. Het laatste bestaat uit een viertal fasen: (1) analyse en ontwerp, (2) ontwikkeltraject, (3) testen en implementatie en (4) service. Aan de hand van het fictieve bedrijf Triple-I - nader omschreven in Bijlage A- worden de voor- en nadelen van beide modellen globaal in kaart gebracht. De belangrijkste kenmerken en tegelijk winsten van de sociotechniek zijn: (1) een klant- en productgerichte vormgeving van het kernproces in plaats van een functionele organisatie, (2) een vereenvoudiging van het primaire proces d.m.v. parallellisering en segmentering op verschillende niveaus, (3) een integrale benadering van de klant-onderneming waarbij niet alleen naar de informatie-structuur, maar ook naar de productie-structuur en de besturings-structuur gekeken wordt, (4) het werken met zelf-sturende teams van medewerkers die rechtstreeks contact onderhouden met de klant en (5) aandacht voor kwaliteitsverbeteringscycli door verbijzondering van de sociotechniek met het mini-company model.

In de derde plaats wordt in par. 2.4 een tweetal aspecten van de sociotechniek wijsgerig geanalyseerd: (1) de relatie tussen de integrale benadering van de sociotechniek (m.n. de belangen van de diverse stakeholders) en de multidimensionale structuur van de onderneming en (2) de inhoudelijke bepaling en de onderlinge relatie tussen de productie-strcutuur, de besturings-structuur en de informatie-structuur van de onderneming. De reformatorische wijsbegeerte biedt hiervoor een adequaat analyse-instrumentarium waarmee een instrumentalistische of reductionistische opvatting van de onderneming en mvo wordt voorkomen. Een belangrijke vooronderstelling is dat de structuur van de onderneming uitdrukking geeft aan een gegeven multidimensionale ordening van de werkelijkheid. Het normatieve karakter ervan doet een appel op de verantwoordelijkheid van alle belanghebbenden van de onderneming. In ieder van de dimensies (psychisch, analytisch, technisch, sociaal, talig, economisch, juridisch, moreel e.a.) gelden wetten die niet tot elkaar herleid kunnen worden. Niettemin beïnvloeden ze elkaar op een samenhangende manier. Dat blijkt in de verbeteringen in tal van dimensies van de onderneming die de sociotechiek te zien geeft t.o.v. het taylorisme. De normatieve wetmatigheden van de uiteenlopende dimensies worden simultaan tot bloei gebracht.

Naast de as van de multidimensionaliteit onderscheidt dit hoofdstuk de as van basis-structuur, de besturings-structuur en de informatie-structuur van de IT-onderneming. Zij worden door twee dimensies i.h.b. inhoudelijk nader bepaald: de funderende dimensie die hun bestaan mogelijk maakt en de leidende dimensie die hun eigensoortigheid tot uiting brengt. Alle drie structuren zijn in de technische dimensie gefundeerd. De leidende dimensie van de basis-structuur, de besturings-structuur en de informatie-structuur zijn respectievelijk de technische dimensie, de sociale dimensie en de talige dimensie. De IT-onderneming als vervlechting van de drie genoemde structuren laat twee normatieve karaktertrekken zien: (1) de ontsluiting van de technisch gekwalificeerde basis-structuur door de sociaal gekwalificeerde besturings-structuur en van de sociaal gekwalificeerde besturings-structuur door de talig gekwalificeerde informatie-structuur en (2) de onomkeerbare funderende relatie tussen deze structuren. Tenslotte worden bij wijze van voorbeeld de belangen van een drietal stakeholders normatief gekwalificeerd, te weten: (1) de aandeelhouders (economisch en moreel-geloofsmatig), (2) een verzekeringsmaatschappij als klant (economisch, juridisch en moreel) en (3) de overheid (juridisch).

 

In het derde en vierde hoofdstuk wordt de analyse van de normatieve structuur van de (IT-)onderneming geconfronteerd met een tweetal gevalstudies, te weten de bank Triodos en het software en consultancy bedrijf Ordina. Er zijn twee doelen nagestreefd: (1) een evaluatie en toetsing van de structuuranalyse van de onderneming en (2) een analyse van de praktijk van mvo zoals vormgegeven door Ordina en Triodos. De centrale vraag in deze hoofdstukken is of een bedrijfsvoering overeenkomstig de gegeven structuuranalyse mvo zou kunnen bevorderen. In par. 3.2. wordt een beknopte verantwoording gegeven van de aanpak van het onderzoek. Er is gekozen voor twee methodes: (1) semi-gestructureerde kwalitatieve interviews en (2) onderzoek van bedrijfsdocumentatie. Vervolgens geeft par. 3.3 een verantwoording van de manier waarop het empirisch materiaal is geanalyseerd. Er is gekozen voor een viertal gezichtspunten: (1) mvo: integraal of speciaal, (2) waarden: intrinsiek of extrinsiek?, (3) organisatievorm: productgestuurd of klantgericht? en (4) medewerkers: taakgebonden of zelfsturend?

Na een korte profielschets van Triodos - een bank met als missie om sociaal vernieuwend en duurzaam te bankieren - wordt in par. 3.4 het onderzoeksmateriaal in een viertal thema’s geclusterd weergegeven. We noemen enkele belangrijke gegevens. IT wordt bij Triodos sinds kort ingezet om klanten een meer gepersonaliseerde service aan te bieden. Niet langer worden zij gefragmenteerd over verschillende afdelingen, maar worden steeds sterker het integratiepunt van de organisatie. IT geeft Triodos mogelijkheden om mvo te verbinden met de organisatie van het primaire proces.

In par. 3.4.3 staan de (kern)waarden van Triodos centraal. Als kernwaarden worden genoemd: vrijheid, gelijkheid en broederschap, duurzaamheid, kwaliteit en maatschappelijke vernieuwing. De ontwikkelingen op IT-gebied leiden niet tot veranderingen in de waarden-oriëntatie of de prioritering daarbinnen. Ofschoon waarden intrinsiek zijn in de bedrijfsvoering van Triodos, roept de formele vastlegging ervan een spanning op met de geest van het vrije ondernemen. De bank is geneigd grote morele stappen te zetten, zonder ze schriftelijk vast te leggen, terwijl de banksector vraagt om kleine(re) juridische stappen die echter wel goed controleerbaar moeten zijn. Qua organisatievorm (par. 3.4.4) bevindt Triodos zich in een overgangsfase van een klassiek, functioneel ingerichte naar een klantgerichte organisatiestructuur. Hierbij spelen nieuwe toepassingen van IT een belangrijke rol. Toch zal het toenemend en intensief gebruik van IT van Triodos geen virtuele organisatie maken.

In par. 3.5 komt Ordina aan bod. Ook hier wordt eerst een profielschets gegeven. Ordina verwoordt zijn missie als het aanbieden van IT-oplossingen waarmee de klanten voordeel kunnen behalen. Het biedt een integraal dienstenpakket aan met een samenhangende keten van competenties. Net als bij Triodos wordt het onderzoeksmateriaal in een viertal clusters weergegeven. We lichten er opnieuw de belangrijkste gegevens uit. MVO vormt voor Ordina niet de kern van de missie. Het bedrijf bevindt zich in een proces waarbij mvo-doelstellingen verankerd worden in het beleid van de organisatie. MVO loopt evenwijdig aan de missie van Ordina: dezelfde kerncompetenties inzetten, maar dan voor maatschappelijke doelen. MVO is gericht op het bevorderen van een duurzame samenleving. IT kan een sleutelrol vervullen in het stichten van nieuwe vormen van maatschappelijke samenhang. Juist in economisch slechtere tijden wil Ordina zich d.m.v. mvo profileren. De (kern)waarden van Ordina, die de documentatie vermeldt, zijn: authenticiteit, betrokkenheid, ondernemerschap, respect en vertrouwen. Daarnaast worden in de interviews genoemd: kwaliteit en competentiegerichtheid.

Wat betreft organisatievorm bevindt het bedrijf zich in een transformatieproces waarbij het zich wil ontwikkelen van leverancier van kennis tot partner van klanten. Het primaire proces wordt georganiseerd vanuit de gerichtheid op de klant, waarbij verschillende rollen t.o.v. de klant worden onderscheiden. Er wordt gewerkt met zelfstandige, resultaatverantwoordelijke klantteams. Daarnaast is er een ontwikkeling gaande van een decentrale naar een meer gecentraliseerde organisatie om de samenhang tussen de verschillende bedrijfsonderdelen te versterken. Inzake de rol van de IT kan worden opgemerkt dat Ordina gebruik maakt van verschillende vormen van virtuele organisatie. IT geeft inhoudelijke en sociale cohesie. Niettemin blijft Ordina grote waarde hechten aan het face-to-face contact tussen medewerkers en met klanten.

In hoofdstuk 4, par. 1 maken we de tussenbalans op aan de hand van de vier eerder vermelde gezichtspunten (zie par. 3.3).

In par. 4.2 wordt het dubbelhoofdstuk afgerond met een evaluatie van de ontwikkelde structuuranalyse. Achtereenvolgens komen de volgende punten aan de orde: de simultane realisatie van de normatieve dimensies van de onderneming (par. 4.2.1), de onherleidbaarheid van de normatieve dimensies van de onderneming (par. 4.2.2), de meerwaarde van de socio-technische organisatievorm voor mvo (par. 4.2.3) en de normatieve relaties tussen de productie-, besturings- en informatie-structuur (par. 4.2.4). De positieve betekenis van een simultane realisatie van normatieve dimensies wordt bevestigd bij zowel Triodos als Ordina. Dit geldt zowel het multidimensionale in de structuur als de samenhang ervan. In de gevalstudies worden allerlei uiteenlopende voorbeelden genoemd. Voor de onherleidbaarheid van de normatieve dimensies zijn geen directe, wel indirecte aanwijzingen ter bevestiging verkregen.

De hypothese dat een socio-technische (klantgerichte) organisatievorm meer en betere mogelijkheden geeft voor mvo dan een functionele (productgerichte) organisatievorm - vanwege de aansluiting bij het eigen karakter van de onderneming - wordt in beide gevalstudies in generieke zin bevestigd. Hierbij zij wel opgemerkt (zie ook hierboven) dat noch Triodos, noch Ordina op dit moment hun organisatievorm expliciet verbinden met mvo. In meer specifieke zin worden op basis van de gevalstudies enkele nuanceringen gegeven van de hypothese. De normatieve relaties tussen de productie-, besturings- en informatie-structuur zijn niet rechtstreeks bevestigd. Wel zijn er verschillende, indirecte aanwijzingen die de resulaten van de structuuranalyse ondersteunen. Op basis van deze evaluatie wordt als slotconclusie in par. 4.2.5 gesteld dat de gegegeven analyse van de normatieve structuur van de (IT-)onderneming grotendeels wordt ondersteund. Hoewel enkele nuanceringen nodig waren, is geen enkel onderdeel van de structuuranalyse onhoudbaar gebleken.

 

In het vijfde en laatste hoofdstuk komen de lijnen uit de voorafgaande hoofdstukken samen bij de analyse van het integriteitsvraagstuk in de bedrijfsethiek, toegespitst op de IT. Het is geschreven mede tegen de achtergrond van de Russische / Petersburgse situatie. Het doel is om de vruchtbaarheid te tonen van de combinatie van een drietal invalshoeken, te weten: (1) de multi-dimensionale structuur van de onderneming, (2) de socio-technische organisatievorm van de onderneming en (3) de ethische drieslag van actor (persoon), act (rol) en context (de onderneming). In par. 5.2 wordt in kort bestek de relevantie van het integriteitsprobleem geschetst, zowel in de Russische als Westerse context. In de IT-sector blijkt integriteit in versterkte mate van belang te zijn, vooral in de sfeer van de virtuele e-commerce. Vervolgens wordt in par. 5.3 ingegaan op de verhouding tussen de persoonlijke en organisatorische dimensie van integriteit. Veelal wordt integriteit zowel in ondernemingen als in de bedrijfsethiek beperkt tot een probleem van personen, m.n. managers. Aan de hand van publicaties van Sharp Paine en Solomon laten we zien dat een evenwichtiger benadering nodig is die recht doet aan de organisatie van het bedrijf. Beide auteurs geven blijk van een besef van de betekenis van de gegeven (normatieve) structuur van de onderneming.

Hierna wordt in par. 5.4 een systematische relatie gelegd tussen (het object van) de bedrijfsethiek en de normatieve structuur van de onderneming. In andere bewoordingen blijkt dat ook gedaan te worden door verschillende bedrijfsethici, zoals Sharp Paine, Verstraeten en Lozano. Bedrijfsethiek is dan intrinsiek verbonden met haar object, de onderneming, in tegenstelling tot de veel gekozen inzet bij de algemene normatief-ethische theorieën. Ons voorstel is om bedrijfsethiek in engere zin op te vatten als de (theoretische) reflectie op de morele dimensie van de onderneming. Praktisch gezegd: het morele aspect van mvo. De normatieve kern van de morele dimensie van de onderneming wordt getypeerd als de zorg voor het welzijn van alle betrokken stakeholders. Bedrijfsethiek in ruimere zin richt zich op het verantwoord handelen in en van de onderneming. Hierin is zowel het ethos als de normatieve structuur van de onderneming aan de orde.

In par. 5.5 voeren we een pleidooi om bedrijfsethiek niet alleen innerlijk te verbinden met de normatieve structuur van de onderneming, maar ook te verwortelen in een ethos (gezindheid) of wereldbeschouwing. Het ethos geeft richting aan de inhoud van de bedrijfsethiek. De betekenis van het ethos in dit verband wordt ook erkend door toonaangevende bedrijfsethici als Verstraeten, Lozano en Solomon. Zij spreken er over tegen de achtergrond van respectievelijk de procedurele methode in de ethiek, de bedrijfscultuur en de reductionistische mythen van de onderneming (zoals het welbegrepen eigen belang). Dan wordt in par. 5.6 de al genoemde ethische drieslag uitgewerkt. Het gaat om een drietal perspectieven op het menselijk handelen die elk corresponderen met een normatief-ethische theorie. Het actor-perspectief met de deugd-ethiek, het act-perspectief met de plicht-ethiek en het situatie-perspectief met de doel-ethiek. De ethische drieslag helpt om eenzijdigheden in elk van de genoemde theorieën te overwinnen. Bovendien kunnen zij geïntegreerd worden in een christelijke verantwoordelijkheidsethiek. Leven en handelen is altijd expliciet of impliciet antwoord geven op het appel dat van God uitgaat om de schepping als rentmeester en priester te beheren.

In par. 5.7 wordt aan de hand van het werk van Solomon en Sharp Paine een beknopte typologie gegeven van integriteit. In zowel bedrijven als in de bedrijfsethiek domineren veelal twee benaderingen: de juridisch gekarakteriseerde compliance-strategie - waarin handhaving centraal staat en hierom een repressief karakter heeft - en de moreel geaarde integriteit-strategie waarin een beroep gedaan wordt op de verantwoordelijkheid van medewerkers om zuiver te handelen. De integriteit-strategie sluit goed aan bij het socio-technische organisatiemodel, terwijl de compliance-strategie zich naadloos laat verbinden met het functionalistisch-tayloristische organisatiemodel. Beide modellen hebben ieder hun eigen antropologische vooronderstellingen. De compliance-strategie gaat uit van mensen als autonome individuen die op een rationele manier hun materieel eigen belang maximaliseren. De integriteit-strategie ziet mensen primair als sociaal-morele wezens die, behalve door materieel eigen belang, evenzeer geleid worden door waarden, idealen en gemeenschappen. De vraag in hoeverre integriteit maakbaar is, valt niet makkelijk te beantwoorden. Wel constateren we dat een ongekwalificeerd vertrouwen hierin stuk loopt op de realiteit van het kwaad.

De gewonnen theoretische inzichten over (bedrijfs)ethiek en integriteit worden in par. 5.8 toegepast op de fictieve casus van het IT-bedrijf Triple-I - eerder ten tonele gevoerd in hoofdstuk 2 - waarvan een klantteam van consultants in een lastig integriteitsparket verzeild raakt bij de uitvoering van een opdracht voor het internationale transportbedrijf East-West. Achter de vraag om een nieuw informatie- en communicatiesysteem blijkt een ander probleem schuil te gaan, te weten terugkerende spanningen over de cultuur van het leidinggeven. Wat is in dit geval integer handelen: doen waar de klant om vraagt en zich beperken tot de eigen professionele expertise of eerst het achterliggende cultuur-probleem aan de orde stellen? De casus wordt vervolgens geanalyseerd vanuit de genoemde drie invalshoeken: de multi-dimensionale structuur, het socio-technisch model en de ethische drieslag. Het blijkt een vruchtbare en genuanceerde aanpak op te leveren van de integriteitsvraag. Tenslotte worden de belangrijkste bevindingen van dit hoofdstuk beknopt geformuleerd in par. 5.9.