CONFESSIO HELVETICA POSTERIOR

Ds. M. Aangeenbrug - Barneveld

Een oer-degelijk gereformeerd belijdenisgeschrift deze Confessio Helvetica Posterior. Een belijdenis met een uitstraling die tot op de dag van vandaag - zie het slot van dit artikel - doorwerkt. De naam van dit belijdenisgeschrift van zwitserse bodem geeft al aan dat er een voorganger moet zijn. ‘Posterior' is de laatste. Daar ging dus een ‘Prior', een eerste aan vooraf. Toch is deze tweede niet zozeer een gewijzigde opvolger van de eerste, elk heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis. Tussen hun beider ontstaan ligt geruime tijd, de Prior is van 1536, de Posterior van 1566.

De docent NT Oswald Myconius heeft er aan mee mogen werken dat Zwingli (1481-1531) naar Zürich kwam en de reformatie daar door kon breken. Toen Zwingli in 1531 stierf kwam zijn opvolger Bullinger naar Zürich. Myconius ging naar Basel, daar werkte hij aan een kerkorde, schreef de biografie van Zwingli (1532) en stelde in datzelfde jaar een belijdenis op, die nadat zij in 1534 in Basel aanvaard werd, de eerste confessie van Basel werd genoemd.
Om tot meer eenheid onder de kerken te komen (nu nog had elke stad zijn eigen regels) en toenadering tussen Zwinglianen en Lutheranen te zoeken werd een aantal mensen bijeengeroepen onder wie Myconius, Bullinger, Jud e.a. ter voorbereiding van een synode. Zij stelden op grond van genoemde eerste confessie van Basel een tweede op. In datzelfde jaar 1536 werd deze Basler Confessie aanvaard als zwitserse belijdenis en daarmee de Confessio Helvetica genoemd.

Voor het vervolg maken we een grote sprong. Het zijn de nadagen van Zwingli's opvolger Bullinger. Aan de universiteit van Zürich heeft hij ontslag genomen en zich om gezondheidsredenen teruggetrokken in Basel. Daar kreeg hij tijd om zijn innerlijke gevoelens aan het papier toe te vertrouwen in de vorm van een belijdenis. Het werd een geestelijk testament, een rijpe vrucht, in 1562 gereed. Op verzoek van keurvorst Frederik III van de Palts (D), werd dit geschrift openbaar gemaakt. Al spoedig daarna, in 1566, werd deze als Tweede Helvetische Confessie aanvaard door de zwitserse kerken. Daarmee was de Confessio Helvetica Posterior in 1566 een feit.

Indrukken
Belijdenisgeschriften geven de geloofszaken vaak kort en bondig weer. De Confessio Helvetica Posterior daartegenover is een flink boekwerk geworden. Maar wel zodanig systematisch, dat alle leerstukken aan de orde komen. Elk hoofdstuk is uitvoerig voorzien van bewijsplaatsen uit de Schrift, met tevens weerleggingen van dwaalleer. Opvallend is ook de vaak toepassende en pastorale toon.

Het geheel bestaat uit 30 hoofdstukken die handelen over achtereenvolgens de Schrift; de uitlegging; God enig en drieënig; beelden; aanbidding; voorzienigheid; schepping; zondeval;vrije wil; uitverkiezing; Jezus Christus; wet; evangelie; boete en bekering; rechtvaardiging; geloof; kerk; dienaren des Woords; sacramenten; doop; avondmaal; en vervolgens nog een aantal praktische zaken aangaande het gemeenteleven (zoals o.a. de kerkdienst, catechese, zielzorg, begrafenis, burgerlijke staat en overheid).

Wie deze opsomming vergelijkt met wat we gewend zijn in bijv. onze nederlandse geloofsbelijdenis zal een aantal dingen opvallen. Als eerste noemen we de fronten tegen de R.K.-kerk die duidelijker aanwezig zijn: we denken aan de hoofdstukken met als titel beelden, aanbidding, boete (tegen de biecht), maar ook over de goede werken in het hoofdstuk over het geloof, en over het Hoofd van de kerk in het hoofdstuk over de kerk en over het vagevuur in het hoofdstuk over de begrafenis.
Opvallend is ook het slot: de laatste 8 hoofdstukken over het gemeenteleven lijken een soort beschrijvende kerkorde. De orde van het gemeenteleven is een deel van het belijden. Daarbij ziet men ook hoe dit belijdenisgeschrift een brug wil slaan tussen Zwinglianen en Lutheranen. Zwingli was bijv. een tegenstander van zingen. In hoofdstuk 23, over het gebed, komt ook het zingen ter sprake. De Rooms-katholieke gregoriaanse zang wordt afgewezen, maar gewoon zingen moet nog maar met mate gebruikt worden. Waarbij gemeenten die nog niet zingen geen verwijten gemaakt mogen worden. Wel wordt gerefereerd aan de vroeg-christelijke kerk, waarin zingen een gewoonte was. Ook in de huidige tijd is nog steeds te merken hoe in de aan Zwingli's reformatiewerk ontsproten gemeenten zang nog een matige plaats inneemt.

Voorzienigheid
De volgorde van de artikelen komt in grote lijne sterk overeen met wat we in de meeste gereformeerde belijdenissen aantreffen. Ook de ‘Prior' kent in grote lijn dezelfde indeling als de ‘Posterior'. De ‘Prior' is natuurlijk een vroeg-gereformeerde confessie (1536), waardoor veel zaken nog niet voldoende uitgewerkt zijn. De belijdenis van het geloof in God als de enige, ware en almachtige God, de Drie-enige wordt in de ‘Prior' slechts heel kort genoemd, in een adem met de schepping en onderhouding van de wereld. De voorzienigheid wordt niet genoemd. In de ‘Posterior' worden deze stukken breed uitgewerkt. Maar opvallend wel in de volgorde voorzienigheid en schepping. In Institutie, Heidelbergse Catechismus en NGB staan deze omgekeerd. Eerst belijden we de schepping en pas daarna hoe God nog steeds voor Zijn Schepping zorgt. Het is alsof de Posterior daarmee zeggen wil dat de schepping en de onderhouding uitvoering zijn van Gods voorzienigheid als Zijn eeuwige raad. Zijn Voorzienigheid is breder dan de zorg die begon op het moment dat de Schepping gereed was.

Hierin ziet men ook een duidelijkere toenadering van Bullinger, grondlegger van de ‘Posterior', richting Calvijn. Zo was Bullinger er door de aanhoudende gesprekken met Calvijn mede debet aan dat in 1549 een tussentijdse consensus (overeenkomst) werd opgesteld, waarin men beleed hoe God door Zijn genade in het Avondmaal tegenwoordig is. Een sterk gereformeerde en minder Lutherse inslag dus.

Predestinatie
We noemden al de pastorale toon in veel artikelen, voortkomend uit de geestelijke erfenis van Bullinger. Zo wordt in het gedeelte over de zondeval niet alleen de erfzonde en de volkomen doodsstaat van de mens genoemd, maar er ook op gewezen dat niet alle zonden gelijkwaardig zijn. Matth. 10: 20-24 wordt hierbij uitdrukkelijk genoemd. Van de verkiezing - in de ‘Prior' nog nauwelijks te vinden - wordt voluit beleden dat God van eeuwigheid zonder aanzien des persoons vrij en uit louter genade mensen heeft verkoren. Sterk ligt de nadruk op het in Christus en door Christus alleen. Heel pastoraal gaat de Confessio er mee om. Er wordt een streep gehaald door alle passiviteit in de zin van "Het helpt toch niets wat ik doe, als ik niet verkoren ben, ben ik niet verkoren". Met name Augustinus wordt geciteerd die schrijft hoe zowel de vrije genade die God bewoog èn tegelijk de heilzame vermaningen gepredikt moeten worden. Teksten als Matth. 10:28 en Joh. 3:16 staan op de voorgrond, daarin wordt immers de liefde des Vaders geopenbaard. Kortweg samengevat zegt de belijdenis dat wie in Christus gelooft mag weten verkoren te zijn. Gemeenschap met Hem is een voldoende getuigenis. Over de verwerping wordt met geen woord gesproken. Opvallend is hoe aan het slot van dit artikel het verbond sterke nadruk krijgt. De doop en ook de belofte "bidt en u zal gegeven worden" worden als pleitgrond genoemd.

Kerk
De sporen van de ecclesiologie te volgen in de ontwikkelingen van de belijdenisgeschriften is voorwaar geen sinecure en in het kader van dit artikel niet uitvoerig te behandelen. Wanneer gelet wordt op de plaats die de kerk in de institutie van Calvijn inneemt, kan daarvan gezegd worden dat bij hem de kerk behoort tot de ‘uiterlijke hulpmiddelen'. Pas na het spreken over het werk van de Heilige Geest komt de kerk aan de orde. Alhoewel in de Confessio Helvetica Posterior ook eerst de bekering, rechtvaardiging en het geloof aan de orde komen - over het werk van de Heilige Geest wordt helaas slechts terzijde gesproken! - en daarna de kerk beleden wordt, ligt hier toch veel duidelijker de lijn van het verbond zichtbaar bovenop. Dat blijkt uit de inzet: "Omdat God van het begin af wilde dat de mensen zalig zouden worden (...) moet er altijd een kerk geweest zijn en zal er tot het einde der wereld een kerk zijn". De kerk staat in de brede lijn van Gods werk in de wereld. Zij is de verzameling van alle gelovigen in de ganse wereld. Hier herkennen we heel duidelijk de lijn van Zwingli. De kerk als vergadering en niet zozeer als instrument.

Een opvallend verschil is er nog tussen de NGB en de ‘Posterior', wanneer het gaat om de kenmerken der ware kerk. Bekend is de opsomming in de NGB (art. 29): zuivere prediking, saramentsbediening en het gebruik van de kerkelijke tucht. In de Posterior wordt de rechtmatige en zuivere prediking ook als eerste genoemd. Maar dan, wanneer het gaat over de sacramenten wordt het accent niet bij de kerk gelegd, maar bij de gelovigen: "Ze nemen deel aan de door Christus ingestelde en door de apostelen overgeleverde sacramenten en gebruiken deze niet anders als zij die van de Heere ontvangen hebben". Niet de bediening maar het gebruik van de sacramenten staat hier voorop. Er wordt nog meer gezegd over het leven van die christenen in de ware kerk, zoals de nadruk op voortdurende bekering en onderlinge liefde. Wie art. 29 van de NGB doorleest treft deze nadruk op het geloof daar ook aan, zonder dat het als een extra vierde kenmerk wordt genoemd (zoals Wilhelmus à Brakel doet!).

Nog opvallender is dat het kenmerk van de tucht hier in het geheel niet wordt genoemd. Hoogstens in positieve zin als het gaat over het leven des geloofs. Wel wordt de tucht genoemd bij de plaats van de dienaren des Woords, in het volgende hoofdstuk. Ook dan nog alleen in positieve opbouwende zin. De enige negatieve toon van de tucht is die waarin dienaren die "niet meer te verbeteren zijn als wolven van de ware kudde des Heeren dienen verjaagd te worden".

Avondmaal
Sinds de brief van advocaat Cornelis Hoen uit Den Haag aan Zwingli leidde het avondmaalsvraagstuk alleen maar tot meer verdeeldheid. Zwingli stond aanvankelijk een zinnebeeldige betekenis voor ogen, terwijl Luther dichterbij de R.K-opvatting bleef. De strijd vond haar hoogtepunt rond 1529. In de Confessio Helvetica Prior van 1536 werd het avondmaal nog geformuleerd overeenkomstig Zwingli's visie, hoewel het opnemen van enkele Lutherse vormen en uitdrukkingen een zekere toenadering betrof. De tekst werd door Luther dan ook begroet! In de 'Posterior' is heel duidelijk de calvinistische visie aanwezig: "uiterlijk wordt door de dienaar brood aangeboden en hoort men de woorden des Heeren: neemt, eet, dat is Mijn Lichaam (...). Daarom ontvangen de gelovigen wat hun door de dienaar des Heeren gegeven wordt, eten het brood des Heeren en drinken uit de kelk des Heeren, maar innerlijk ontvangen zij door de dienst van Christus het vlees en bloed des Heeren door de Heilige Geest en worden daarmee gespijzigd tot het eeuwige leven". Heel duidelijk is zichtbaar - zoals dat ook bij Calvijn naar voren komt - dat in het sacrament zowel het aspect van Gods belofte als ook ook ons belijden aanwezig is. Overigens mag opgemerkt worden dat in onze Heidelbergse Catechismus veel eenzijdiger de nadruk alleen op Gods handelen valt (zie W.Verboom, de theologie van de H.C., bldz. 220).

We gaven boven al aan dat ondanks het verschil tussen Calvijn en Zwingli, diens opvolger Bullinger samen met Calvijn in 1549 tot grote overeenstemming kwam. Dat klinkt door in deze Posterior. Maar die overeenkomst liet wel de strijd tussen het gereformeerd protestantisme en het lutheranisme tot op de dag van vandaag voortduren.

Tenslotte
Wie kent de Confessio Helvetica Posterior heden nog? In ons taalgebied wordt ze nauwelijks nog gekend en genoemd. Toch is het geen belijdenisgeschrift voor het museum. Mij is in het bijzonder opgevallen hoe hedentendage deze belijdenis nog door verschillende kerken aanvaard wordt. Opvallend genoeg niet in Zwitserland. De verschillende Landeskirchen aldaar hebben aan het eind van de 19e eeuw de binding met de belijdenis al losgelaten. Opvallend was bij mijn zoektocht op Internet dat ik 66 meldingen kreeg.. Bij de eerste 10 meldingen stonden slechts vier duitstalige links, maar wel een engelse, franse, roemeense, hongaarse, poolse en noorse.

Daarbij moet ook bedacht worden dat in Hongarije in Debrecen de Posterior al in 1567 aanvaard werd en tot op heden daar nog haar plaats heeft! Ook van Polen, Oostenrijk e.d. zou nog te spreken zijn. Terwijl ook keurvorst Frederik III van de Palts deze tot de zijne maakte en de belijdenis daarmee grote invloed kreeg op het calvinisme rond Heidelberg.
De verbindende lijnen in het gereformeerd protestantisme zijn soms zo duidelijk aanwezig! Een oude belijdenis, nog steeds aktueel!